VISUS 1|2016

ONDERZOCHT: DE PERFORMANCE VAN SCLERALENZEN

 

 

In haar proefschrift ‘Objective and subjective performance of scleral lenses and new advances in scleral lens technologies’ laat Simone Visser zien dat scleralenzen door technische innovaties de behandelresultaten bij patiënten met verschillende hoornvliesaandoeningen verbeterd hebben.

UP

Simone Visser volgde de opleiding optometrie aan de Hogeschool van Utrecht. Zij heeft onder meer stage gelopen in het Moorfields Eye Hospital in Londen en aan de Universiteit van Houston.

 

Sinds 1996 is zij werkzaam bij Visser Contactlenzen Praktijk. Vanaf 2005 maakt zij onderdeel uit van de directie. Ze houdt zich voornamelijk bezig met het vakinhoudelijke beleid, het aanpassen van scleralenzen en het aansturen van het Visser Contactlenzen scleralens aanmeet- en

ontwikkelingsteam.

 

Daarnaast heeft zij in 2004 haar Mastersgraad behaald aan de City University London. De onderzoeken die zij deed naar de indicaties en klinische prestaties van scleralenzen resulteerden in diverse nationale en internationale publicaties.

ONDERZOCHT:

DE PERFORMANCE VAN SCLERALENZEN

 

In haar proefschrift ‘Objective and subjective performance of scleral lenses and new advances in scleral lens technologies’ laat Simone Visser zien dat scleralenzen door technische innovaties de behandelresultaten bij patiënten met verschillende hoornvliesaandoeningen verbeterd hebben. Voor Visus vat ze haar proefschrift samen.

Door Simone Visser

 

Inleiding

Scleralenzen zijn vormstabiele zuurstof-doorlatende contactlenzen met een grote diameter die het gehele corneale en limbale oppervlak overkoepelen, waarbij ze steunen op de anterieure sclera (de conjunctiva). Tijdens het dragen van een scleralens wordt tussen de anterieure cornea en het posteriore lensoppervlak een vochtreservoir gecreëerd (ook wel de ‘clearance’ genoemd). De rigiditeit van het lensmateriaal kan, samen met het vochtreservoir tussen de scleralens en de cornea, anterieure cornea-irregulariteiten neutraliseren en het corneaoppervlak zowel hydrateren als beschermen.

 

In tegenstelling tot corneale lenzen maken scleralenzen geen mechanisch contact met de cornea, hetgeen de belasting van de cornea minimaliseert. Bovendien is de passing van een scleralens niet afhankelijk van de corneatopografie. Door deze unieke functionele eigenschappen van scleralenzen zijn ze onder andere zeer geschikt voor de correctie van visusproblemen die worden veroorzaakt door keratoconus en andere cornea-irregulariteiten. Tevens geven scleralenzen bescherming van de cornea bij patiënten met aandoeningen waarbij het oppervlak van het oog is aangedaan (de zogenaamde ocular surface diseases) die anders geen contactlenzen zouden kunnen dragen.

 

Nieuw algoritme

In het tweede hoofdstuk van het proefschrift wordt een nieuw algoritme voor lensselectie geïntroduceerd, welke werd ontwikkeld voor de twee belangrijkste toepassingen van medische contactlenzen, namelijk de correctie van irregulair astigmatisme en bandage van het corneaoppervlak. Dit algoritme selecteert een specifiek type contactlens op basis van de ernst van de aandoening en op de aanwezigheid van bijkomende indicaties en/of complicerende factoren.

 

Dit hoofdstuk geeft daarnaast een richtlijn voor het selecteren van het juiste type zachte lens (zowel conventionele zachte lenzen als silicone hydrogel-lenzen). De objectieve en subjectieve performance van medische contactlenzen, die met behulp van het algoritme werden aangemeten, werden prospectief onderzocht bij 281 ogen van 281 patiënten.

 

De meest voorkomende diagnoses waren keratoconus (bij 25 procent van de ogen), droge ogen syndroom (23 procent) en keratoplastiek (20 procent); de meest gebruikte typen contactlenzen waren scleralenzen (bij 53 procent van de ogen) en siliconen hydrogel-lenzen of conventionele zachte lenzen (35 procent). Een goede uitkomst werd bereikt voor de best gecorrigeerde visus (mediane toename van 1.5 Snellen met contactlenzen) en algehele patiënttevredenheid (bij 81 procent van de patiënten was de algehele tevredenheidsscore van meer dan 70, gemeten met een Visuele Analoge Schaal (VAS)).

 

Bij de toepassing van het algoritme werden vergelijkbare uitkomsten verkregen voor zowel zachte lenzen als scleralenzen. Deze resultaten markeren de belangrijke rol van scleralenzen binnen de context van andere typen contactlenzen. En tevens de noodzaak dat er in de medische contactlenspraktijk voldoende diversiteit aan lenstypen beschikbaar moet zijn.

 

Tijdsinterval gemeten

In het derde hoofdstuk wordt het geavanceerde binnentorische scleralensontwerp onderzocht, welke door ons team werd geïntroduceerd. Dit niet-rotatie-symmetrische lensontwerp is ontwikkeld voor een gelijkmatigere verdeling van de lensdruk over de sclera en voor een betere passing van de lens op torisch gevormde scleraoppervlakken.

 

Dit hoofdstuk onderzoekt de positionele stabiliteit van binnentorische scleralenzen op 43 ogen (bij 43 patiënten). Om deze te meten werd de lens 60 graden in de nasale en temporale richting verdraaid en werd het tijdsinterval gemeten tot de lens weer in zijn oorspronkelijke positie stond. Daarnaast werden het comfort (variërend van 0 [zeer slecht] tot 10 [zeer goed]) en de draagtijd van deze torische scleralenzen vergeleken met scleralenzen met een sferische binnengeometrie (n=27 ogen).

 

Daarna werden de indicaties en klinische performance van moderne scleralenzen in 284 ogen van 178 patiënten geëvalueerd. Ten tijde van het onderzoek waren binnentorische scleralenzen nog maar recent geïntroduceerd en dit lensontwerp omvatte ongeveer de helft van alle aangemeten scleralenzen. In totaal werden de volgende vier typen scleralenzen in het onderzoek opgenomen: twee typen met een sferische binnengeometrie (sferisch [45 procent van de lenzen] en front-torisch [2 procent van de lenzen]) en twee binnentorische ontwerpen (binnentorisch [25 procent van de lenzen] en bitorisch [28 procent van de lenzen]).

 

Patiënttevredenheid

Ook werd de subjectieve performance van scleralenzen gemeten bij de 178 patiënten (284 ogen) in het cross-sectionele onderzoek, gepresenteerd in een eerder hoofdstuk. Een interview (op basis van een Likertschaal van vijf punten) en een vragenlijst (op basis van een 100-mm visuele analoge schaal [VAS]) werden gebruikt voor kwantificering van de patiënttevredenheid. Daarnaast werd de patiënttevredenheid van de huidige scleralens vergeleken met het vorige type correctiemiddel. Dit betrof vormstabiele zuurstofdoorlatende (RGP) corneale contactlenzen (50 procent), brilcorrectie (19 procent), andere typen contactlenzen (19 procent) en helemaal geen correctie (11 procent).

 

De huidige scleralenzen hadden een mediane draagtijd van 16 uur per dag en werden door 51 procent van de patiënten zonder onderbreking gedragen. Patiënten met een droge ogen syndroom vertoonden een trend naar minder gunstige resultaten; deze patiënten hadden een mediane draagtijd van 14 uur per dag en 77 procent van hen nam overdag een of meerdere keren hun lenzen uit.

 

De huidige scleralenzen scoorden hoog bij het interview (mediane score, 4) en de vragenlijst (mediane score, meer dan 75). Daarbij waren er significante toenames in de scores van de huidige scleralens vergeleken met het vorige correctiemiddel, de scores voor comfort, kwaliteit van het gezichtsvermogen en algehele tevredenheid waren hoger bij respectievelijk 79, 78 en 88 procent van de patiënten.

 

Betere passing

In het proefschrift wordt daarna een scleralens-ontwerp met een bitangentiële (niet-rotatie-symmetrische) periferie geëvalueerd. Dit lensontwerp werd geïntroduceerd voor een betere passing op ogen met een tangentieel gevormde anterieure sclera. In deze prospectieve studie werden bij 213 ogen (van 144 patiënten) de subjectieve prestaties (met behulp van een vijf punten beoordelingsschaal), visus en passing van de scleralenzen onderzocht. De indicaties bestonden uit keratoconus (57 procent), ocular surface diseases (15 procent), penetrerende keratoplastiek (14 procent), een andere vorm van irregulair astigmatisme (13 procent) of overige diagnoses (1 procent).

 

De tangentiële scleralenzen toonden uitstekende objectieve prestaties; de mediaan van de best gecorrigeerde visus met de scleralenzen was 0.8 (Snellen-decimaal) en er werd een goede lenspassing waargenomen (97.7 procent van de scleralenzen hadden een optimale lensbeweging en -positie).

 

Corneal crosslinking

Ook zijn zowel de tolerantie als de scleralenspassing, voorafgaand aan en één jaar na CXL, vergeleken. In deze prospectieve studie werden 18 ogen (van 18 patiënten) met goed passende scleralenzen geanalyseerd die een CXL-behandeling kregen voor progressieve keratoconus.

 

Het dragen van scleralenzen zou - in tegenstelling tot het dragen van corneale lenzen - niet beïnvloed moeten worden door veranderingen in corneatopografie na CXL. Dit omdat scleralenzen de cornea niet raken. Deze hypothese werd ondersteund door de stabiele resultaten die werden gevonden één jaar na CXL voor de draagtijden (mediaan, 16 uur per dag), algehele lenstevredenheid (81 op de 100-mm VAS) en de best gecorrigeerde visus met scleralens (1.0 Snellen-decimaal, 0.03 LogMAR). Bij 11 van de 18 ogen (61 procent) was de passing en/of sterkte van de scleralens gewijzigd. Het is echter niet duidelijk of deze veranderingen uitsluitend waren toe te schrijven aan CXL, aangezien veranderingen van pasvorm in de loop van de tijd - ongeacht CXL - kunnen optreden.

 

Effect van het dragen van scleralenzen

Tot slot wordt in het laatste hoofdstuk het effect van het dragen van scleralenzen op de keratometrie- en pachymetriewaarden bij 20 ogen van 14 patiënten met keratoconus onderzocht. In deze interventiestudie werden deze metingen op twee tijdpunten uitgevoerd: direct na het uitnemen van de scleralens en nadat de lens meer dan een een week (range 1 tot 2 weken) niet gedragen was. Hoewel scleralenzen geen mechanisch contact maken met de cornea, was de corneadikte direct na uitnemen van de scleralens met 2,7 procent toegenomen en was de cornea afgevlakt met 0.7 dioptrie (D) (Ksteep), 0.5 D (Kflat) en 1.1 D (Kmax).

 

Deze veranderingen duiden erop dat scleralenzen gedurende een bepaalde periode vóór keratometrie- en pachymetriemeting moeten worden uitgenomen, teneinde nauwkeurig eventuele progressie van keratoconus te kunnen vaststellen. Dit aangezien deze veranderingen kunnen leiden tot een onderschatting van de progressie. Het tijdsinterval tussen het uitnemen van de scleralens en het ongedaan maken van de door de scleralens geïnduceerde corneaveranderingen is onduidelijk.