VISUS 1|2016


Nieuwsgierigheid is belangrijk, kennis is essentieel

Praktijkgericht klinisch onderzoek speelt een steeds belangrijkere rol binnen de gezondheidszorg. Er komt echter heel wat bij kijken om een klinisch onderzoek op te zetten, uit te voeren en hierover in een wetenschappelijk tijdschrift te publiceren. Optometrist Marten Fortuin deelt zijn ervaringen.

Door Marten Fortuin (bestuurslid)

 

“Aan het eind van mijn master in klinische optometrie aan de City University in Londen startte ik met verschillende onderzoeken waarin asthenopie centraal stond. Het eerste klinische onderzoek verrichte ik met Silvia van Braak - de Graaf (optometrist en orthoptist in het Centraal Militair Hospitaal Utrecht). We schreven samen een protocol voor een gerandomiseerd gemaskeerd onderzoek naar de effecten van visuele training bij militairen met convergentie-insufficiëntie. We wilden twee verschillende visuele oefeningen en een placebo-oefening met elkaar vergelijken.”

 

Onvoldoende deelnemers

“De aanvraag bij de Medisch Ethische Toetsing Commissie was de eerste uitdaging. Dat alleen al nam ongeveer een half jaar in beslag. Door middel van een ‘power calculatie’ hadden we vooraf berekend dat we in totaal 90 deelnemers nodig zouden hebben. Onze verwachting was dat we dit aantal binnen een jaar zouden halen. Maar uiteindelijk stond de teller na vier jaar op zo’n dertig deelnemers, die allemaal één van de trainingen hadden volbracht. Dit aantal was onvoldoende om valide resultaten uit te destilleren.”

 

Te optimistisch gestart

“Eén van de opvallende oorzaken was dat veel militairen het lastig vonden om een maand lang thuis te oefenen. Ook waren we onterecht optimistisch geweest over het tijdspad om voldoende patiënten te laten instromen. Bij veel andere onderzoeksprojecten blijkt dit eveneens een valkuil te zijn.”

 

Visuele training

“Uiteindelijk bleken abstracts van lezingen en posterpublicaties uiteindelijk de maximaal haalbare publicatievormen voor ons onderzoek1,2. Inmiddels hebben Amerikaanse optometristen door middel van een zogenaamde ‘Cochrane review’ bevestigd dat intensieve begeleiding bij het geven van visuele training voor de behandeling van convergentie-insufficiëntie noodzakelijk is.”3

 

Comfortabelere lensmaterialen

“Een tweede onderzoek werd in de oogzorgkliniek van de Hogeschool Utrecht uitgevoerd met John Schilperoort en diverse studenten. Ad den Ouden - indertijd directeur bij Microlens - vroeg zich af of een nieuw hydrofiel ‘water aantrekkend’ vormstabiel contactlensmateriaal uit Amerika, comfortabeler zou zijn. Immers, alle lensmaterialen tot dan toe waren hydrofoob of water afstotend. Dit leek een interessante kans om asthenopie - veroorzaakt door marginale droge ogen - te onderzoeken.”

 

Comfortverschillen

“Willekeurig gekozen contactlensdragers kregen in één oog een lens van het ‘hydrofiele’ materiaal en in het andere oog het ‘hydrofobe’ materiaal aangepast. Aan het einde van de dag scoorden ze hun comfort. De uitkomsten van dit dubbel blinde gerandomiseerde cross-over onderzoek liet heel geringe en nauwelijks relevante comfortverschillen zien tussen beide materialen (p<0.05).”

 

Foutieve materiaaleigenschappen

“Tijdens het review proces - gebruikelijk bij publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift - meldde één van de anonieme beoordelaars dat de materiaaleigenschappen, zoals die gerapporteerd waren door de leveranciers, niet te vertrouwen waren. Naar aanleiding daarvan heb ik dagenlang op een scheikunde laboratorium de contacthoeken van dit lensmateriaal gemeten. En inderdaad, dit nieuwe materiaal bleek niet hydrofiel, maar hydrofoob te zijn4,5. De claim van de Amerikaanse materiaalleverancier was onterecht en de bij de ‘FDA’ geregistreerde materiaalgegevens bleken zelfs factor 10x foutief te zijn!”

 

Eerste publicatie

“Hierdoor kwam mijn oorspronkelijke hypothese - namelijk het vergelijken van een oog met een hydrofiel en hydrofoob contactlensmateriaal - te vervallen. Beide materialen waren immers hydrofoob, waardoor de comfortverschillen slechts minimaal waren6. Een positieve bijkomstigheid was dat we naast het onderzoek naar comfort ook strooilichtmetingen hadden uitgevoerd. Dr. Tom van den Berg (Nederlands Herseninstituut, AMC, Amsterdam) had bij de start van dit onderzoek een door hem ontwikkelde ‘C-Quant’ strooilichtmeter ter beschikking gesteld. Hierdoor konden we relatief kleine strooilichttoenames aantonen, die veroorzaakt werden door het dragen van vormstabiele lenzen. Dit leidde tot mijn eerste publicatie7.”

 

Voorspellende parameters bij kijken in 3D

“Philips bracht indertijd een 3D-TV op de markt die je zonder de hulp van een polaroid- of shutterbril kon gebruiken. Omdat er vrij veel mensen zijn die klachten ervaren bij kijken naar een driedimensionale film (3D), wilde Philips uitzoeken hoe ze deze vorm van asthenopie konden voorkomen. Om dit te onderzoeken werd een derde experiment uitgevoerd in het stereo laboratorium van de Technische Universiteit Eindhoven (Human Technology Interaction). Samen met mede PhD-student Marc Lambooij en een aantal optometrie-studenten wilden we uitzoeken welke optometrische parameters voorspellend waren voor asthenopie bij kijken in 3D8.”

 

Comfortabel kijken naar stereo

“Vijftig proefpersonen deden mee met een optometrisch onderzoek en moesten daarbij op drie meter afstand teksten lezen, gepresenteerd in 3D en 2D. Vooral de deelnemers met een lagere fusiebreedte lazen langzamer in 3D en scoorden meer klachten tijdens het lezen in 3D9. Het lijkt dus nuttig om de fusiebreedte te meten wanneer een patiënt aangeeft klachten te ervaren na het bekijken van een film in 3D."10, 11

 

Conclusie

“De weg tot wetenschappelijk onderzoek is niet zonder voetangels en klemmen en kende in mijn geval een flinke leercurve. Nieuwsgierigheid, kennis opdoen en samenwerken bleken cruciaal om te kunnen promoveren tot beginnend onderzoeker (PhD in klinische optometrie). In de nabije toekomst zullen deze eigenschappen eveneens belangrijk worden voor de optometrist om de patiënten uiteindelijk allemaal optimaal en ‘evidence based’ te kunnen helpen.”

 



UP