VISUS 1|2016


WETENSCHAP: PUNCTUM PLUGGEN

Bron foto: Mirjam van Tilborg

Iedere editie lichten we drie wetenschappelijke onderzoeken uit in een korte samenvatting. Deze keer de grote verschillen tussen punctum pluggen, complicaties na plaatsing van een SmartPlug en de effectiviteit van punctum pluggen bij droge ogen.

Door de redactie

 

-----------------------------------------------------

ONDERZOEK: GROTE VERSCHILLEN TUSSEN TYPEN PUNCTUM PLUG

 

In een gerandomiseerde, dubbel-gemaskeerde, gecontroleerde klinische interventiestudie (uitgevoerd in Canada) werd het percentage behoud van twee soorten punctum pluggen na 6 maanden onderzocht: de Superflex en de Parasol.

 

Onderzocht werden vijftig ogen van patiënten met matige tot ernstige droge ogen waarbij elk oog afzonderlijk werd gerandomiseerd naar de Superflex of de Parasol.

 

De voornaamste uitkomstmaat was het behoud van de pluggen na zes maanden. Secundaire uitkomstmaten waren onder meer een objectieve Schirmer test I (mm), het traanmeniscusniveau (mm), de traanfilm breakup-tijd (s), de fluoresceïne aankleuring van het onderste deel van de cornea (op de schaal van het National Eye Institute [NEI]) en de gemiddelde lissaminegroen-aankleuring van de conjunctiva.

 

Na zes maanden waren er significante verschillen in het percentage behouden punctum-pluggen; van de Parasol-pluggen was 68 procent behouden gebleven, tegen 32 procent van de Superflex-pluggen(P = 0.011). Bij gebruik van de Parasol-pluggen hadden de patiënten na zes maanden minder vaak kunsttranen nodig (P = 0.024).

 

Binnen de plug-groepen was er na zes maanden sprake van een statistisch significante verbetering op alle secundaire uitkomstmaten (Schirmer, traanmeniscusniveau, traanfilm breakup-tijd, fluoresceïne-aankleuring van de cornea) behalve op de aankleuring van de conjunctiva. Verder waren er geen significante verschillen tussen de groepen en werden er geen complicaties van het gebruik van de pluggen gemeld.

 

De auteurs concluderen dat hoewel punctum-pluggen in het algemeen de symptomen van droge ogen verminderen, er significante verschillen tussen de typen zijn wat betreft het behoud. Deze bevindingen kunnen bijdragen aan het nemen van de beste beslissing voor de patiënt als het gaat om een veilige en effectieve behandeling van hun droge ogen.

 

Achtergrondinformatie

Auteur: Brissette AR1, Mednick ZD1, Schweitzer KD1, Bona MD1, Baxter SA2.

Website: www.ajo.com

 

-----------------------------------------------------

ONDERZOEK: PUNCTUM PLUGGEN EFFECTIEF BIJ DROGE OGEN, WEL VAAK VERLIES

 

Dit rapport geeft een overzicht van de gepubliceerde literatuur over de effectiviteit en veiligheid van het aanbrengen van pluggen in het traanafvoersysteem bij volwassenen met droge ogen. De conclusie is dat op basis van het in de studies geleverde bewijs van niveau II en III kan worden gezegd dat pluggen kunnen zorgen voor verbetering van de symptomen en verschijnselen van matige droge ogen die onvoldoende reageren op topicale lubricatie, en dat ze goed worden verdragen. Studies van niveau I aangaande de effectiviteit en veiligheid van deze pluggen zijn niet voorhanden.

 

Gezocht werd in de databases van PubMed en de Cochrane Library tot en met 9 maart 2015 zonder restricties op jaartal, waarbij men zich beperkte tot Engelstalige abstracts. Dit leverde 309 unieke citaties op. De primaire auteurs beoordeelden de titels en de abstracts. Artikelen werden opgenomen als daarin oorspronkelijke gegevens werden gepresenteerd over het gebruik van pluggen bij droge ogen die betrekking hadden op minstens 25 patiënten.

 

Van 53 mogelijk relevante studies werd de volledige tekst bekeken. Uit de 27 studies die voldeden aan de inclusiecriteria werden de volgende gegevens door de panels geëxtraheerd: studiekenmerken, patiëntkenmerken, plug-type, plaatsingstechniek, respons op de behandeling en veiligheidsinformatie. Alle studies waren observationeel van aard en werden door een methodoloog beoordeeld als evidentieniveau II of III.

 

De studies betroffen drie typen pluggen: punctumpluggen, intracanaliculaire pluggen en oplosbare pluggen. In 15 van de artikelen werden cijfers gepresenteerd over de verbetering van de symptomen, de toestand van het oogoppervlak, gebruik van kunsttranen, contactlens-comfort en traanfilm breakup-tijd.

 

In 25 artikelen werden gegevens over de veiligheid vermeld. Plaatsing van pluggen resulteerde bij de patiënten met droge ogen in een verbetering van de symptomen met meer dan vijftig procent, verbetering van de gezondheidstoestand van het oogoppervlak, daling van het gebruik van kunsttranen en verbeterd draagcomfort van contactlenzen.

 

Ernstige complicaties door het gebruik van pluggen waren zeldzaam. Bij punctumpluggen was het meest voorkomende probleem het verlies van de plug, wat gemiddeld bij veertig procent van de patiënten voorkwam. Voor alle typen pluggen samen gold dat bij circa negen procent van de patiënten epiphora optrad, en bij tien procent moesten de pluggen worden verwijderd wegens irritatie.

 

Het meest voorkomende probleem bij intracanaliculaire pluggen was canaliculitis, hetgeen optrad bij circa acht procent van de patiënten. Andere complicaties, die bij minder dan vier procent van de patiënten werden gemeld, waren scheuring, ongemak, pyogeen granuloom en dacryocystitis.

 

Achtergrondinformatie

Auteur: Marcet MM1, Shtein RM2, Bradley EA3, Deng SX4, Meyer DR5, Bilyk JR6, Yen MT7, Lee WB8, Mawn LA9.

Studie: Safety and Efficacy of Lacrimal Drainage System Plugs for Dry Eye Syndrome: A Report by the American Academy of Ophthalmology.

Bron: Ophthalmology. 2015 Aug;122(8):1681-7. doi: 10.1016/j.ophtha.2015.04.034. Epub 2015 May 30.

Website: www.aaojournal.org

 

-----------------------------------------------------

ONDERZOEK: GROOT RISICO OP CANALICULITIS

 

Uit een Oostenrijks onderzoek naar de prevalentie op langere termijn van canaliculitis, in samenhang met het gebruik van SmartPlugs, is gebleken dat complicaties nog lang na de plaatsing van een SmartPlug kunnen optreden. Daardoor is een langdurige controle noodzakelijk voor het vaststellen van de meeste complicaties. Bij de onderzochte patiënten - waarvan sommigen wel 10,5 jaar werden gevolgd - bleek het gebruik van SmartPlugs gepaard te gaan met de hoogste tot dusverre gepubliceerde prevalentie van canaliculitis.

 

Deze retrospectieve studie omvatte 42 ogen van 25 patiënten met droge ogen die tussen 2004 en 2008 een SmartPlug geplaatst kregen. Bij alle patiënten werd het traanafvoersysteem voorafgaand aan de plaatsing van de plug geïrrigeerd om zeker te zijn dat het systeem doorgankelijk was. De mediane duur van de follow-up was 7,9 (spreiding 5,6–10,5) jaar na plaatsing van de plug.

 

Bij zes patiënten (zeven ogen) van de 25 (42 ogen) ontstond canaliculitis. De prevalentie van canaliculitis per patiënt was 24 procent, en de prevalentie van canaliculitis per SmartPlug was 16,6 procent. De mediane tijd die verliep tussen plaatsing van de SmartPlug en het ontstaan van canaliculitis was 4,7 (spreiding 1,4–6,0) jaar. De mediane leeftijd van de patiënten bij wie canaliculitis ontstond was 61,5 (spreiding 36–74) jaar.

 

Vijf van deze patiënten waren vrouwelijk en één mannelijk. De pathogenen werden geïdentificeerd als Actinomyces bij vier ogen en Staphylococcus aureus bij drie ogen. Bij 5 patiënten (6 ogen) werd de canaliculitis genezen door gebruik van topicale antibiotica en herhaalde irrigatie van het traansysteem met antibiotica en povidon-jood. Bij één patiënt moest een canaliculotomie worden uitgevoerd om genezing te bewerkstelligen.

 

Achtergrondinformatie

Auteur: Klein-Theyer A1, Boldin I1, Rabensteiner DF1, Aminfar H1, Horwath-Winter J1.

Website: bjo.bmj.com

 

 

 



UP